Laudatio AICA Oorkonde 2013

photo 2

Hieronder volgt, op veler verzoek, de laudatio die bestuurslid Roos van der Lint uitsprak tijdens de uitreiking van de AICA Oorkonde aan De Hallen Haarlem op 15 november j.l.

Geachte aanwezigen, beste Karel en Xander,

Nadat u vanmiddag over de Grote Markt kwam aanlopen, trad u het museum binnen via het Vishuisje. U dwaalde misschien even door de monumentale zaal beneden en volgde toen de trap naar boven, langs de Verweyzaal, het voormalige onderkomen van de herensocieteit met de illustere naam ‘Trou Moet Blycken’. Ik wil u in deze lofrede eerst kort iets vertellen over de geschiedenis van het pand waar wij ons nu in bevinden: de Vleeshal.

Deze stamt namelijk nog uit een tijd in Haarlem waarin slagersvrouwen ‘spekwijven’ heetten en waarin de vleesverkoop gretig aftrek vond op het verderop gelegen kerkhof. Aan dat laatste kwam in de zeventiende eeuw in ieder geval een einde. Stads metselaar Lieven de Key, een gevluchte protestantse Vlaming, werd benoemd tot bouwmeester, en op 6 juni 1602 werd de eerste steen van de nieuwe Vleeshal gelegd. Het pand werd opgetrokken in een Hollandse Renaissance stijl met roodwitte muren, een kleurstelling die lange tijd niet in ieders smaak viel. Een Italiaan schreef dat het gebouw het voorkomen heeft van ‘een Indiaansche pagode, met een bastaard-spaanschen smaak in een Hollandsch huis veranderd door een bouwmeester die opgewonden was van jenever’. Hoe het ook zij, de Haarlemse slagers namen hun intrek in deze nieuwe hal en zo kreeg De Vleeshal haar eerste functie.

De frivole bouwstijl op zo een centrale locatie in de stad maakte dat alle bewoners van Haarlem een kijkje kwamen nemen. Een tijdgenoot schrijft dat ‘daghelijkckx diverse personen in de nieuwe vleyshalle deser stadt vergaren omme aldaer te gaen praten ende wandelen, waerduer dieselve halle niet allene met groot geluyt werdt vervult – tot verhinderinge van dengheenen aldaer te doen hebbende – maer oock ’t vleysch duer de veele aemtochten eenichsins beschadicht werden.’

Het reilen en zeilen in deze vleeshal moest dus aan banden worden gelegd. Rondhangen werd verboden, op straffe van zes stuivers. Als een klant niet kon betalen, werd hij met het vlees om zijn hals tentoongesteld aan de schandpaal. Voor de kinderen van Haarlem gold een verbod op kaatsen, tollen en knikkeren en dat was nu net zo populair, op de gladde vloer op de begane grond hier onder ons.

Al deze regels werden opgesteld om het vlees te beschermen tegen de nieuwsgierige inwoners. Hoe anders is dat vandaag, ruim vierhonderd jaar later. Bezoekers moeten geregeld beschermd worden tegen de kunst in dit pand. Een greep uit het bordjesassortiment van afgelopen jaar:

Let op: magnetisch veld.
Let op: magnetische straling.
Geen pacemakers in de directe nabijheid.
Pas op voor vallende munten.
Let op: Deze tentoonstelling bevat naaktmodellen.

De kunstenaar die in 2009 de tl-verlichting van het museum insmeerde met sperma, Roger Hiorns, mocht in 2012 terugkomen voor een solotentoonstelling. Hij toonde nu schilderijen met het vocht van koeienhersenen en experimenteerde met giftig kopersulfaat. Op gezette tijden werden er kleine brandjes gesticht. En op de plek waar ik nu sta vielen geldstukken uit de lucht, waar het woord ‘god’ uit was gestanst en die met iedere val een putje in de houten vloer veroorzaakten. Die zitten er trouwens nog, als driftige aantekeningen van een vervlogen performance.

Het is duidelijk, vanaf 1840 veranderde deze plek via diverse omwegen in een museum voor moderne en hedendaagse kunst. Een plek waar kunst gemaakt mag worden, en dat is de plek waar je als kunstcriticus moet zijn. Wij zijn hier vandaag bijeen om de waarde van De Hallen voor de kunst te prijzen.

Het is natuurlijk niet zomaar vuur en viezigheid waar het museum zijn vloer aan geeft. Roger Hiorns is met zijn scheikundige kunstwerken tot hedendaags ‘alchemist’ gedoopt, maar het is niet het vuur dat de uitgerangeerde vliegtuigmotoren uit zijn installaties tot leven bracht. En ook de naakte jongeman, met zijn billen die overgingen in de stalen buizen van de technologie, deed vanaf het moment dat hij plaatsnam op de motor niets dan zuchten.

Het was de toeschouwer zelf die met open mond naar het schouwspel stond te kijken. Het waren hun camera’s die zich verdrongen voor Hiorns sculptuur van een paar blauwe schoenen, overwoekerd door kopersulfaatkristallen. De kunstenaar liet de bezoeker rustig kijken naar zijn creaties. Hij liet ons ervaren en nadenken over natuur en technologie. En nadat het werk van Joseph Beuys, opgesteld op de middelste verdieping, deze brouwerij van kunsthistorische context had voorzien, dachten we misschien zelfs even over leven en dood.

Met de keus voor een internationaal talent als Hiorns begeeft De Hallen zich in de voorhoede van het kunstcircuit. Vooraan staan betekent opletten, urgente ontwikkelingen binnen de internationale hedendaagse kunst signaleren. Dit vereist een betrokken directeur en conservator die naast een internationaal netwerk ook geloven in de kunstenaars die ze brengen. De actualiteit, die zojuist in het juryrapport werd aangestipt, is een rechtstreeks gevolg van deze betrokkenheid. Onder de handen van uitzonderlijk veelzijdige kunstenaars dringt de maatschappij door in de collectie van het museum. Er werd nieuw werk aangekocht van Guido van der Werve, de videokunstenaar die tevens klassieke muziek componeert, en er is fotografie van Viviane Sassen, die esthetiek op het scherpst van de snede plaatst. Een kritische blik vormt ook het uitgangspunt van de museale presentaties, zonder dat de kunst ten onder gaat in verwikkelingen over consumptiemaatschappij of foute politiek. Een kritisch hoogtepunt vormde het podium dat De Hallen gaf aan het werk van Cady Noland, de Amerikaanse die zich uit onvrede volledig uit de kunstwereld terugtrok.

Vooraan staan is soms ook een stap opzij zetten, voor een beter uitzicht of een ander perspectief. Uit Venetie en Bazel en Londen kwamen het afgelopen jaar verschillende berichten van cross-overs en multidisciplinaire aanpakken. In De Hallen manifesteert deze trend zich al jaren in een bijzondere aandacht voor subculturen en undergroundscenes, die voortdurend in de programmering opduiken. Ik denk aan kruisbestuivingen tussen muziek, film en performances in het werk van Matt Stokes, Rineke Dijkstra en Charles Atlas. En ook aan een jonge kunstenaar als Nathaniel Mellors, die sculpturen met een videofeuilleton combineerde. De installatie Ourhouse zag zijn premiere in De Hallen. Menigeen zal zich de infantiele tuinman Bobby Jobby en Baby Doll nog voor de geest kunnen halen. In het ergste geval duiken ze af en toe nog op in uw dromen. En anders kent u de sculpturen, de prachtige koppen die onder Mellors’ handen met draadjes tot leven werden gewekt.

Vooraan staan betekent ook de eerste durven zijn die een volgende stap zet, die zijn nek durft uit te steken naar nieuw talent. Hamid el Kanbouhi bouwde in De Hallen een ‘performatieve installatie’. Wat dat inhield, had ik nog geen jaar eerder aan den lijve ondervonden tijdens de Rijksakademie OPEN. De ruimtevullende installatie die El Kanbouhi hier presenteerde, werd tot leven gewekt door een driekoppige jury. Terwijl ik rustig rondliep en de kunst in me opnam, met een kritische blik, uiteraard, bekeek de jury mij van top tot teen. Na een kort overleg volgde toen het oordeel, hard en duidelijk: ik had een Pools kapsel.

Maar dat terzijde. Geen hokjes dus. Daar is de kunst in De Hallen met geen mogelijkheid in te krijgen, laat staan binnen te houden.

De huidige groepstentoonstelling ‘Dread: fear in the age of technological acceleration’ duikt opnieuw in een sluimerend maatschappelijk thema, dat meerdere malen per dag de kop opsteekt in nieuwsberichten over drones en afluisterschandalen. De afwisseling tussen oude en nieuwe technieken, van architectuur en geluidsinstallatie tot een werk met als materiaal ‘html, javascript en een domein naam’ verweven het museum letterlijk met de actualiteit. De keus voor een multidisciplinaire presentatie, aangevuld met een rijk film- en muziekprogramma, is niet verwonderlijk gezien het CV van de gastcurator, de winnaar van de curatorenbeurs. Juha van ’t Zelfde noemt zich naast tentoonstellingsmaker ook non-fictie DJ.

Vooraan staan betekent helaas ook alleen staan. Niet helemaal alleen, zeker niet in het cultureel rijke Haarlem, maar toch op ongewenst eenzame hoogte, uitkijkend over een zinkend landschap. Zoals de jury in de nominatietekst benadrukte: “We hebben instellingen genomineerd die opereerden in een storm.”

Ten slotte betekent vooraan staan ook opvallen. Als u vanavond De Hallen verlaat, en over de Grote Markt richting het station of naar uw parkeerplaats wandelt, kijk dan eens achterom. De Hallen zal rood gekleurd zijn, net als vroeger. Voor ‘Dread’ plaatste Carl Michael von Hausswolff een installatie achter de ramen, die het museum buiten de openingtijden rood doet oplichten. Het kunstwerk maakt deel uit van een serie waarin de kunstenaar architectuur die leeg staat, in verval verkeert of juist volop in ontwikkeling is, met rood licht activeert. Hij zet het museum ‘aan’, zoals Van ’t Zelfde schrijft in de begeleidende tekst. De opmerkelijke ontwikkelingen die De Hallen steeds weer beleeft, maken dat dit kunstwerk als permanente installatie niet zou misstaan.

Ik wil De Hallen Haarlem van harte feliciteren met het winnen van de AICA Oorkonde 2013 en ik dank u wel.

 

NB De informatie over de geschiedenis van De Hallen is afkomstig uit: De Hallen in Haarlem, Irene van Beek-Mulder en Mariette Polman, Zwolle 1993.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *