Een groene driehoek op je buik: bezuinigingen op kunstonderwijs

Door Tineke Reijnders & Antje von Graevenitz

Amsterdam verheugt zich op de komst van duizenden jongeren naar de heropende musea. Toch schaft de gemeente de zo geprezen kunstkijkuren voor basisscholen per 2014 af. Een onbegrijpelijk besluit.

Bij de heropening van het Stedelijk Museum september vorig jaar merkte burgemeester Van der Laan blijmoedig op dat Amsterdamse scholieren eindelijk weer vertrouwd konden raken met hun Stedelijk Museum. ‘Het is een verloren generatie die negen jaar lang geen Stedelijk Museum heeft kunnen bezoeken’, zei hij.

Wat hij even uit het oog verloor was dat tezelfdertijd de reguliere museumlessen aan basisschoolleerlingen uit de begroting waren geschrapt. De Amsterdamse stadsdeelbesturen hadden per 1 augustus 2012, een maand eerder, de museumlessen, de zogenoemde kunstkijkuren voor alle leerlingen van Amsterdamse basisscholen, opgeheven om er een breder en flexibeler lesaanbod voor in de plaats te stellen en er in een klap achthonderdduizend euro op te besparen.

Was dit een verstandig besluit? Decennialang hebben leerlingen van groep zeven en acht via de school kennis kunnen nemen van de collecties van de Amsterdamse musea. Het was een wonderschoon programma: lessen in de eigen school en in het museum door een speciaal daartoe opgeleide museumdocent. De leerlingen van groep zeven of acht kregen tien lessen, waarvan de eerste op school en de rest in de belangrijkste musea: het Rijksmuseum, het Stedelijk Museum, het Tropenmuseum, het Amsterdam Museum en het Van Gogh Museum. De lessen werden niet door de scholen zelf georganiseerd, maar aangeboden door de stadsdelen, die de kosten van vervoer en de docents! alarissen volledig op zich namen.

Het effect was dat ook de leerlingen uit de buitenwijken met de musea kennismaakten. ‘Leerlingen uit Zuidoost, Noord en West kwamen niet alleen voor het eerst in een museum, ze kwamen vaak ook voor het eerst in het centrum van de stad. De kunstkijkuren zorgden ervoor dat deze leerlingen zich betrokken voelden bij de cultuurschatten van het stadscentrum’, zegt Lies de Wolf, een van de docenten van de toenmalige Kunstkijkuren, een educatie-instelling die sinds 1948 deze lessen voor scholen heeft verzorgd.

De lessen vormden voor generaties kinderen de basis voor hun latere kunstinteresse. Zelfs Wim Pijbes vertelde in een interview met NRC Weekend april dit jaar hoe hij als schoolkind nauwelijks weet had van musea en via school!bezoek voor het eerst in het Rijksmuseum kwam, dat hij nu als directeur leidt: ‘We renden door de gangen. Ik herinner me een eindeloze reeks zalen. Dat zullen de noordelijke kabinetten zijn geweest. Een suppoost hield ons staande en zei: kijk nou eens even, dat portret van die man daar, hij ziet je.’

De Amsterdamse gemeenteraad hield het wegstemmen van deze verworvenheid vorig jaar niet tegen. De kostelijke museumlessen, ingesteld vanuit naoorlogse beschavings!idealen, werden al eerder op de korrel genomen. De nota Cultuureducatie 2008-2011 stuurde al aan op verandering: er was ‘duidelijk behoefte aan vernieuwing’. Niet zo verrassend misschien, het hele onderwijs is permanent onderhevig aan vernieuwing. Maar dit moment van doorvoering was wel heel slecht gekozen. In de aanloop naar het van gemeentewege zo gedoopte Jubeljaar 2013, het jaar waarin de grachten vierhonderd jaar bestaan en de musea aan het Museumplein weer in volle glorie voor bezoekers open staan, was het een slechte zet om juist nu de basisscholen hun oude voorziening te ontnemen.

Velen was dit te bar en de gemeenteraad reageerde. Op grond van een motie van Evelien van Roemburg van GroenLinks (gesteund door Jan Paternotte van D66 en Marja Ruigrok van de VVD) kon de fatale beslissing nog even worden bijgestuurd: voor het jaar 2013 werd een overgangsregeling afgesproken. Voor de helft van het oude budget worden nog losse museum!lessen verstrekt en alerte scholen hebben daar als de wiedeweerga gebruik van gemaakt. Tegelijkertijd wordt gewerkt aan een vervangend aanbod. Geheel in lijn met de algehele tendens om overheidstaken te delegeren naar lagere instanties wordt ook hier de verantwoordelijkheid gelegd bij de scholen. De school mag zelf kiezen uit een lijst van zeventien culturele instituten, uit workshops, uit maar liefst 738 mogelijkheden in Amsterdam. De school kan ook zelf suggesties doen.

De organisatie is toevertrouwd aan het expertisenetwerk Mocca, dat scholen en aanbieders ondersteunt in het formuleren van een visie op cultuureducatie.

De woorden van burgemeester Van der Laan zijn inderdaad niet aan het Stedelijk voorbijgegaan. De huidige directeur, Ann Goldstein, hecht bovendien veel waarde aan educatie. Onder haar leiding zijn er familieprogramma’s ontwikkeld, workshops door kunstenaars van naam, er zijn ‘blikvangers’ aangesteld (jongeren met de taak om leeftijdsgenoten te enthousiasmeren), maar vooral heeft het museum fascinerende programma’s bedacht voor meerdere groepen basisschoolleerlingen. Terwijl het Stedelijk om budgettaire redenen flink moest schrappen in het personeelsbestand is de afdeling educatie juist uitgebreid. De jonge docenten die ervoor zijn aangetrokken zijn speciaal getraind. Ook draaien er docenten uit het voormalige kunstkijkurenprogramma mee. De belangstelling is dan ook groot.

‘De voor dit jaar gestelde targets zijn in mei al gehaald’, vertelt Hanna Piksen, medewerker onderwijs familieprogramma van het museum. Het gaat om achtduizend leerlingen, een aantal dat uit politieke overwegingen bovendien welkom is voor het totale aantal bezoekers van het museum. Nieuw is ook dat er gesprekken worden gevoerd met de twee andere musea aan het Museumplein, het Van Gogh en het Rijks, waar ook lessen voor basisscholen worden voorbereid.

Allemaal buitengewoon bemoedigend nieuws, zou je zeggen. Want wat de zaak vertekent is dat de basisschoolleerlingen die dit jaar aan de lessen hebben deelgenomen maar voor een kwart uit Amsterdam komen. Dat zijn de leerlingen van de overgangsregeling. De zesduizend anderen hebben profijt van heel iets anders, namelijk de Turing Foundation. Dit mecenaat heeft het initiatief genomen om de oudste leerlingen van basisscholen gelegen binnen een straal van zestig kilometer buiten de Amsterdamse ringweg (maar ook inclusief bijvoorbeeld Dordrecht) gratis naar de hoofdstedelijke musea te vervoeren. De zogeheten Museumpleinbus is een geste van de voormalige eigenaars van TomTom. Het was een genereuze aanvulling op de Amsterdamse kunstkijk!uren, maar nu die wegvallen is het maar de vraag hoe lang de Museumpleinbus in stand blijft, en bij uitblijvende generositeit is er geen alternatief van overheidszijde te verwachten. Valt de Museumpleinbus weg, dan moeten de musea maar afwachten of ze straks nog afnemers vinden van hun lessenaanbod.

Als we met zo’n les in het Stedelijk Museum meelopen, merken we dat de groep leerlingen, anders dan gebruikelijk was bij de kunstkijk!uren, niet is voorbereid. Voor de museumdocent is dat nauwelijks een bezwaar, de aanpak van deze docent is sandbergiaans van aard en interactief, de leerlingen worden op eigen intuitie en creativiteit aangesproken. Ze improviseren antwoorden waar de docent op doorgaat om vervolgens spelenderwijs informatie aan te dragen. Er gaat een tas mee waaruit bijvoorbeeld een recorder te voorschijn komt zodat we bij een schilderij van Kandinsky een fragment van Schonberg horen en we diens twaalftoonsmuziek kunnen koppelen aan de geschilderde, op muziek gebaseerde compositie. We krijgen uitgelegd hoe het destijds heersende gevoel voor schoonheid opzij werd gezet voor moderne eigenzinnigheid.

Bij Rietvelds Harrenstein-slaapkamer uit 1926 tonen meegebrachte foto’s van interieurs uit die tijd, chique en overvol, hoe groot de schok moet zijn geweest bij het zien van de kaalheid van Rietvelds ontwerpen. De scholieren hebben liever hun eigen slaapkamer. ‘Misschien heeft de moeder van Beatrix erin geslapen’, stelt een meisje schuchter voor. Maar, brengt de docent in, het gaat om een nieuw model, een vernieuwing voor de stijl van leven.

In een andere zaal komt de docent erop terug, hoewel hij daar de scholieren opeens met een geheel andere vraag confronteert: ‘Welk schilderij zal hier wel het duurst wezen en waarom?’ Het grootste, dat met de meeste kleuren erop, waaraan het langst werd geschilderd, !vermoeden de scholieren. Ze wijzen op een landschap van Van Gogh. En dit klopt, zegt de docent, maar hij geeft wel een ander argument: met zijn losse verfstreken is dit doek in deze zaal het meest !vernieuwend en dus het meest !- waardevol. We leren: vernieuwing is een criterium voor !kwaliteit. Het vernieuwende geldt ook voor een werk van !Mondriaan en hierbij weet de groep al de redenen te noemen: strakke !lijnen en !primaire kleuren, net als bij Rietvelds slaapkamer, maar hier speelt een evenwichtige, asymmetrische compositie de hoofdrol.

Hoe goed de scholieren de mondriaanse principes hebben onthouden blijkt in een projectzaal waar ze de regels zelf mogen toepassen. In een ommezien vormen ze op een witte ondergrond met enkele gekleurde vlakken en hun eigen lichaam een soort Mondriaan-!compositie. Er hangt een camera boven hen die hun werk registreert. Daarna mogen ze het geheel overdoen, maar nu als vrije opdracht, ‘de Stijl – mijn stijl’. Vanzelfsprekend mogen nu ook on-mondriaanse vlakken gebruikt worden: een grijze cirkel op een hoofd of een groene driehoek op een buik. Een jongensgroep maakt eensgezind een driedimensionale Mondriaan en verschuilt zich erin, vier paar voeten blijven zichtbaar. Maar wat Mondriaan bezielde vergeten ze niet meer.

Na afloop is de klas opgetogen over het bezoek, met de mix van kijken, leren en zelf doen. Ze waren er duidelijk voor het eerst. Daarentegen was een vorige klas van een zwarte school uit Osdorp volgens de museumdocent duidelijk tot in de puntjes voorbereid. Bij de ouderwetse museumlessen kwam er niet alleen een museumdocent in de klas, dezelfde docent ging ook mee naar de musea en wist verbanden te schetsen tussen de verschillende collecties en tussen verschillende culturen, dankzij bijvoorbeeld het Tropenmuseum.

Oog in oog staan met een kunstwerk levert als je het in de tijd kunt plaatsen, de artistieke achtergrond kent, iets weet van terminologie en context, een diepgaander ervaring en meer genot op dan wanneer je er niets van weet. Zoals je ook van een voetbalwedstrijd meer plezier hebt als je de spelregels kent en iets van de spelers weet. Je neemt er iets van mee voor je leven. Maar ook als je er per verrassing mee wordt geconfronteerd, als het bezoek functioneert als een eerste orientatie in een huis vol kunst, betekent het een ervaring die je altijd bijblijft.

Zou je dat de huidige generatie willen ontnemen? Als het aan de musea ligt niet. De meeste musea willen de museumlessen zelfs uitbreiden tot alle groepen van de basisscholen. Ook het Rijksmuseum is van plan voor groep een tot vier speciale rondleidingen aan te bieden, waarbij spannende verhalen worden verteld. De groepen drie tot acht kunnen tijdens de museumlessen juist iets opmerken wat de schilderijen overstijgt, onder het thema ‘ik ruik, ik voel wat jij niet ziet’. Alle zintuigen worden aangesproken. Ook deze les trekt de schoolkinderen uit hun afwachtende houding en laat hen vertellen wat ze zien en voelen. Met als winst de verbreding van hun taalgebruik, naast kennis van de kunstwerken.

Maar de gemeenteraad heeft andere ideeen, dat wil zeggen: het idee was vernieuwing en zoals vaker wordt bezuiniging het excuus om te ‘vernieuwen’ zonder visie.

Inspirerend voor iedereen en nog steeds actueel lijken de in 2008 opnieuw in het Nederlands gepubliceerde overwegingen van kunsthistoricus Sir Herbert Read, die in 1966 de Erasmusprijs ontving, mede voor zijn boek De kunst in haar educatieve functie (Education through Art, 1958). Esthetische opvoeding, zei de auteur, zou het oog, de tastzin en het denken bevorderen, verder de waarneming, de intuitie, het gevoel en wederom: het denken daarover. Als doel van een esthetische opvoeding wees hij op ‘de bevordering van het begrip voor creativiteit, dialoog, democratie en integratie’. Een hele mond vol. Maar hij beweerde ook niet dat je deze idealen alleen door middel van de educatieve functie van kunst kunt bereiken, maar wel mede daardoor, omdat kunst – ingebed in de samenleving – de visuele en orale talenten in sterke mate kan bevorderen.

Dat dit in principe zo is, daarvan zijn de Amsterdamse musea en de basisscholen overtuigd. Net als het Mocca, maar het cultuureducatiecentrum kan geen gemeentelijk beleid veranderen, het voert slechts uit, en brengt dus vaardig cultuureducatie onder in de voorgeschreven ‘raamleerplannen’ en ‘leerlijnen’.

Peggy Brandon, de directeur van het Mocca, heeft een lans gebroken voor het behoud van gratis vervoer van de school naar de cultuurinstelling en de gemeente heeft toegezegd het museumvervoer voor de komende vier jaar op zich te nemen, al gaat het daarbij bijvoorbeeld ook om de Cultuurbus die niet per se gekoppeld is aan de museumlessen; de bus brengt de kinderen naar alle culturele uitjes. Het Mocca helpt scholen bij het samenstellen van een cultureel programma. Het benadert de scholen actief en stimuleert het schoolteam om uit hun midden een cultuurcoordinator aan te stellen. Tevens helpt het netwerkcentrum met deskundigheidsbevordering van de leerkracht. Zes keer mogen de groepen een tot en met acht op kosten van de stad naar een culturele instelling; een ervan wordt hun opgelegd, voor de andere vijf mag elke school vrij kiezen.

Er komt dus geen museumdocent meer in de klas, dat zou alleen nog mogelijk zijn als de school hem inhuurt en bereid is honderd euro per museumbezoek te besteden. In dit overgangsjaar is het volgen van de museumlessen voor de basisscholen nog kosteloos en ook het Stedelijk rekent dit jaar nog niet de honderd euro per keer die volgend jaar wel wordt verlangd. De stad heeft per kind dit jaar circa dertig euro beschikbaar.

En de uitjes kunnen een museum betreffen, maar het kan ook theater, dans muziek of een andere discipline zijn. Of het Olympisch Stadion, Tassenmuseum Hendrikje, het Nemo, een klein keramisch atelier. De kans dat een van de topmusea wordt bezocht is daarmee klein. ‘Meestal kiezen de leraren voor iets wat hun een leuk uitje lijkt en steeds minder voor een moeilijker in de klas voor te bereiden bezoek aan bijvoorbeeld het Stedelijk Museum of het Rijksmuseum’, zegt Lies de Wolf. Zo doet zich vaak de situatie voor dat De nachtwacht of Het melkmeisje moet concurreren met een artistieke werkplaats, met als gevolg dat de scholieren later nauwelijks kennis hebben van hun voornaamste cultureel erfgoed.

Kunnen de ouders dan niet bijspringen? Dat kunnen niet alle ouders zich veroorloven, vaak al helemaal niet de ouders uit de meer afgelegen stadsdelen.

Het is een groot goed dat de inwoners van Amsterdam de topkunst om de hoek hebben. Een stad met een hoog cultureel gehalte oefent grote aantrekkingskracht uit, in immaterieel opzicht en ook materieel – de economie floreert erdoor. Noblesse oblige, Amsterdammers die op straat struikelen over de kunsttoeristen horen ook zelf weet te hebben van wat onze musea aan kunstschatten herbergen.

Musea zijn zich tegenwoordig zeer bewust van hun maatschappelijke taak, zeker sinds ze daar de afgelopen jaren veelvuldig door de politiek op zijn gewezen, maar ook uit eigen beweging. De musea bereiden zich op dit moment met verve voor op een gloednieuw stelsel van museumlessen voor de basisschool. Ze gaan mee in wat internationaal gangbaar is en wat zo prachtig tot uitdrukking is gebracht door Rineke Dijkstra in haar video-installatie I See a Woman Crying (2009, National Gallery of Art, Washington). Ze laat je zien hoe Engelse leerlingen commentaren verzinnen op Picasso’s Wenende vrouw, een schilderij dat zelf buiten beeld blijft. Het is een treffend voorbeeld van het belang dat internationale musea en scholen aan museumeducatie hechten.

In Amsterdam daarentegen heerst een absurde paradox: aan de ene kant verheugt men zich op de komst van een jonge generatie in de musea, aan de andere kant wordt dat vanaf 2014 zo goed als onmogelijk gemaakt.

Het zou de gemeenteraad sieren om het Jubeljaar af te sluiten met een royaal gebaar voor het primair onderwijs. Of een duidelijker visie op kunstonderwijs. Een stevig mes in de niet te verteren spaghetti van culturele leer!lijnen zou de ruimte scheppen voor hernieuwde, gelijkgerechtigde deelname aan museumlessen. Zodat de burgemeester alsnog gelijk krijgt.

Dit artikel verscheen in De Groene Amsterdammer van donderdag 15 augustus 2013, p. 42.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *