Brandbrief Toekomst Kunsttijdschriften in Nederland

Onlangs heeft het bestuur van AICA Nederland een brandbrief gestuurd aan de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen om de aandacht te vestigen op de precaire situatie waarin de kunsttijdschriften in Nederland dreigen te belanden.

Newsweek cover by Roy Lichtenstein, 1966.

In juni 2011 heeft de Staatssecretaris het besluit bekrachtigd dat kunsttijdschriften geen subsidies meer mogen aanvragen bij de kunstfondsen (na recente fusie betreft dit het Mondriaan Fonds). Deze maatregel gaat in 2013 van kracht. Achterliggende argumentatie van dit besluit is dat kunsttijdschriften via het principe van vraag en aanbod volledig marktconform moeten opereren.

Als vakvereniging die zich al decennia hard maakt voor de kwaliteit van de kunstkritiek in Nederland, en die de ethische en professionele belangen van haar leden behartigt en verdedigt, maakt AICA Nederland zich ernstige zorgen over de gevolgen van dit besluit. Het zal leiden tot een verschraling van het kunsttijdschriftenbestel en betekent daarmee een vermindering en verslechtering van de kunsttheoretische en beschouwende kunstkritiek, met nadelige gevolgen voor de kennisontwikkeling en- overdracht op dit gebied in Nederland.

Lees hier de volledige brief

Zeer geachte heer Zijlstra,

Graag vraag ik Uw aandacht voor het volgende. In juni 2011 heeft de Staatssecretaris voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het besluit bekrachtigd dat kunsttijdschriften geen subsidies meer mogen aanvragen bij de kunstfondsen (na recente fusie betreft dit het Mondriaan Fonds). Deze maatregel gaat in 2013 van kracht. Achterliggende argumentatie van dit besluit is dat kunsttijdschriften via het principe van vraag en aanbod volledig marktconform moeten opereren.

Als vakvereniging die zich al decennia hard maakt voor de kwaliteit van de kunstkritiek in Nederland, en die de ethische en professionele belangen van haar leden behartigt en verdedigt, maakt AICA Nederland zich ernstige zorgen over de gevolgen van dit besluit. Het zal leiden tot een verschraling van het kunsttijdschriftenbestel en betekent daarmee een vermindering en verslechtering van de kunsttheoretische en beschouwende kunstkritiek, met nadelige gevolgen voor de kennisontwikkeling en- overdracht op dit gebied in Nederland.

Subsidies vormen voor de kunsttijdschriften die hier aanspraak op maken een relatief klein onderdeel van hun begroting: zo’n 20%, hetgeen betekent dat deze tijdschriften voor de overige 80% marktconform functioneren. Maar omdat deze tijdschriften, bovenop het wegvallen van elke financiele ondersteuning, te kampen hebben met teruglopende advertentie-inkomsten ten gevolge van de algemene economische crisis en de bezuiniging op het kunstbestel, ontstaat er een tekort op de begroting dat niet meer valt op te vangen. Het kunsttijdschriftbestel in Nederland ziet hiermee een ernstige verschraling tegemoet. Het leidt geen twijfel dat met name de tijdschriften die een meer theoretische, signalerende, beschouwende en analytische benadering voorstaan (tegenover de kunsttijdschriften die een meer affirmatieve, beschrijvende en commerciele redactieformule kennen), als eerste zullen verdwijnen. Het is zaak te benadrukken dat dit vanaf heden geen doemscenario meer is, maar werkelijkheid. Voor een kennismaatschappij, waarin het belang van analyse en kennisontwikkeling alom wordt erkend, is dat op zijn zachtst gezegd een vreemde wending.

De Raad voor Cultuur constateerde in haar Sectoranalyse Kunst en Vormgeving 2012: ‘In een groot en pluriform kunstveld is beschouwing onontbeerlijk voor het draagvlak en de betekenis van beeldende kunst en ontwerp. (…) Het is paradoxaal dat er nauwelijks een podium is voor de analyse en discussie over kunst en ontwerp, terwijl de behoefte aan het verhaal en de context van kunst de afgelopen jaren alleen maar is toegenomen,’

Kritische participanten op het gebied van kunst, cultuur en ‘creatieve industrie’ zijn in onze huidige en toekomstige kennismaatschappij onontbeerlijk. Thijs Lijster, filosoof, verbonden aan de Rijksuniversiteit van Groningen, schreef in het onlangs gepubliceerde Zonder titel. Amateur en professional in de beeldende kunst (2012: NAi Uitgevers, Mondriaan Fonds, Fonds voor Cultuurparticipatie): ‘We leven in een tijd waarin ook in kunstkringen de grootste financiele belangen spelen, en waarin musea en kunstenaars worden ingezet in city branding en marketing. Waar de nadruk steeds meer ligt op beleving in plaats van interpretatie en reflectie, wordt het publiek steeds vaker eerder als consument dan als participant benaderd. Als de kunstwereld wil bijdragen aan het publieke debat dan is een onafhankelijke, professionele en bovenal kritische kunstkritiek onmisbaar.’ Lijster slaat hiermee ons inziens de spijker op zijn kop.

De Raad voor Cultuur dringt in haar Sectoranalyse Kunsten Vormgeving 2012 aan op een consistent beleid gericht op ‘het stimuleren en ondersteunen van vernieuwend kunsthistorisch en -theoretisch onderzoek, publicaties en tijdschriften’. Het Mondriaan Fonds schrijft in haar uitgangspunten voor toekomstig beleid in het Beleidsplan 2013-2016: ‘Bemiddelaars zijn een onlosmakelijk onderdeel van het veld van de beeldende kunst. Zowel individuen als organisaties geven kunst een context, hebben een aandeel in het vergroten van het maatschappelijk draagvlak via onderzoek, publicaties en artikelen. Zij maken daarmee de kunst toegankelijker, dragen bij aan het discours en bevorderen verdieping.’

Het mag als vanzelf spreken dat kunstbeschouwing en onderzoek zonder de daar bij horende kritische en onafhankelijke kanalen van publicatie geen kans van slagen hebben. Juist in een tijd waarin de samenleving vraagt om het bevorderen van een onafhankelijke, professionele kunstkritiek, voorziet het besluit van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in het tegendeel. Enerzijds wordt via de Prijs voor de Jonge Kunstkritiek en het bevorderen van artistiek en kunsttheoretisch onderzoek het potentieel van kritische kennisontwikkeling op het gebied van kunst en cultuur bevorderd. Anderzijds verdwijnen de kanalen die onontbeerlijk zijn voor de overdracht van deze kennis in Nederland. Ons inziens is hier sprake van een inconsistent beleid.

Het bestuur van AICA Nederland roept daarom bij monde van haar leden – die een brede vertegenwoordiging van de professionele kunstgemeenschap in Nederland vormen – de politiek op de beleidsmaatregel aangaande het verbod op financiele ondersteuning van kunsttijdschriften, te heroverwegen. Naar aard en vorm zijn kunsttijdschriften niet afzijdig van de markt, noch van hun lezerspubliek; in tegendeel. Na een jarenlange ontwikkeling is heden ten dage het primaat van de markt en het publiek terecht een professioneel onderdeel van elk zichzelf respecterend kunsttijdschrift geworden. Het Mondriaan Fonds zou in staat moeten worden geacht een kritisch, constructief en vooral consistent beleid te ontwikkelen ten aanzien van het stimuleren van een breed geschakeerd mediabestel voor kunst en kritiek, waarvan de kunsttijdschriften deel uitmaken.

Het kunstbestel in Nederland kan tenslotte niet volledig marktconform opereren, daarover bestaat van het linkse tot het rechtse politieke spectrum een breed gedragen consensus. Bezuiniging en aard van hervorming zijn punt van debat, maar alle politieke partijen (uitgezonderd de PVV) voorzien in hun programma’s in een zekere mate van basisondersteuning van het kunstbestel. Dat zou naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid voor de kunstkritische bemiddeling in Nederland daarom niet anders mogen gelden.

Hoogachtend,

Namens het bestuur van AICA (Association Internationale des Critiques d’Art), sectie Nederland,

drs. Ingrid Commandeur

mr. Alexander Mayhew

dr. Marga van Mechelen

dhr. Bert Steevensz

w.g.

drs. Robert-Jan Muller

Bestuursvoorzitter AICA Nederland

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *