Laudatio Rijksakademie door Saskia Bos

Dames en Heren, beste collega’s,

Beeldend kunstenaar en musicus John Cage zei eens “you can fool the fans but not the players”. Hoe bijzonder is het dat AICA Nederland als organisatie voor kunstcritici niet een curator of criticus of museum, maar nu ook een postacademiale instelling voor beeldende kunst uitkiest, en naast de keuze voor Witte de With en een activiteit als Art Rotterdam- deze instelling uiteindelijk heeft verkozen om van de AICA de oorkonde voor 2016 te ontvangen. Ik feliciteer de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam daarmee van harte.

Het is te begrijpen dat men voor deze laudatio op zoek was naar iemand met een achtergrond in de actuele beeldende kunst en in kunsteducatie en ik ben vereerd aan de uitnodiging gevolg te geven om de loftrompet over de Rijksakademie af te steken. Na 21 jaar De Appel in Amsterdam te hebben geleid en daarna elf jaar Dean te zijn geweest van de School of Art van Cooper Union in New York, geeft dit mij de gelegenheid iets over de waarde en plek van het kunstonderwijs in de samenleving te zeggen en over het belang van kunstenaars die andere kunstenaars ‘op weg helpen’. Opniew haal ik Cage over kunstonderwijs aan: “Nothing is a mistake. There is no win and no fail. There is only make.” Ik bedoel met het ‘op weg helpen’ het stimuleren om die onafhankelijke kunstenaars/sensoren te worden en te blijven dankzij wie critici, filosofen, denkers, en iedereen die de kunst met belangstelling volgt, signalen ontvangen over waar de kunst zich om bekommert en soms ook waar de wereld naar toe gaat. En daarmee verplicht het kunstonderwijs zich ook te transformeren, en de overdracht, de ‘transmission’ steeds opnieuw te bekijken vanuit eigentijdse ontwikkelingen. De vertaling naar nieuwe generaties vraagt om betrokkenheid bij het heden. Is er de wil om te veranderen of wil men bewust rigide zijn? de externe invloeden weerstaan? Zoekt men naar een autoriteit buiten de eigen gelederen? Of zorgt affiniteit met wat er gaande is vanzelf voor osmose, een open blik, ook naar andere instellingen met wie men samen optrekt, in solidariteit maar ook uit overtuiging?

De afgelopen 25 jaar is de topografie van het maken afgevlakt, meer horizontaal geworden, schrijft Steven Henry Madoff in zijn uitstekende door MIT uitgegeven bloemlezing Art School. Geen een discipline, genre, stijl of kunstenaar domineert, en dat heeft kunstacademies gedwongen zich nog meer bezig te houden met de vraag wat kunstenaar zijn vandaag de dag betekent, en waar de professie zich bevindt temidden van gebieden als filosofie, research, handwerk, technische training, en marketing. Hij schrijft: ‘The factory of ideas, objects, practices, and pedagogies that constitute an art school today, as they will tomorrow, seems particularly restless, wanting more porosity, irritated by bureaucratic weight, impatient for new shapes, even for an ephemeral life.’ Einde citaat. Ik voeg daar zelf het volgende aan toe: Terwijl de kunst weer steeds meer actie en handeling en research wordt, moeten we niet alleen focussen op materialisering, reificatie, verzamelbaarheid, want uiteindelijk gaat het om wat de kunst uitdraagt, en dat kan ook protest, verzet en alternatief zijn, verpakt in vormen die niemand nog begrijpt, als steelse mededelingen aan een kleine groep gelijkgestemden die alles wat wij nu voor kunst en cultuur houden eens grondig willen bevragen en testen. Vergeleken met de plek die kunstenaars innemen hebben kunstcritici en curatoren een andere, meer beschouwelijke rol. Maar het is met name de jarenlange ervaring van collega’s die jonge kunstenaars nodig hebben en dat doorgeven, in een peer-to-peer situatie, dat is wat ze bij de Rijksakademie onder meer zo goed doen. De Rijksakademie stelt de participanten bloot aan veel invloeden van buiten en koppelt hen aan buitenlandse kunstenaars, critici en curatoren. Die laatsten kiezen er niet zelden voor om hen vervolgens voor een projekt uit te nodigen, wat een vruchtbare praktijk is gebleken, getuige het grote aantal alumni die je ook buiten Nederland overal tegenkomt. Want curatoren staan dicht bij de kunstenaars en sinds een aantal jaren trekken universiteiten en opleidingsinstituten zich meer van curatoren aan. Men sprak wel over de Educational Turn in Curating om uit te leggen waarom menig curator -ook ik- begin deze eeuw naar kunstonderwijs aan de universiteit stapte. Achteraf gezien is dat -denk ik- omdat de kunstwereld zo sterk gericht raakte op de handel en het meer over smaak leek te gaan dan om filosofie, kunstkritiek, ervaring. Zodat sommige universiteiten een ‘niche’ werden waar een curator zich uit de wind kon houden, waar commercie niet van invloed is. Dat dit laatste een illusie is, vooral in de VS waar leerstoelen gesponsord worden en studenten veel geld moeten lenen om hun onderwijs te betalen, ontdekte ik al gauw. De educational turn bovendien, lijkt alweer voorbij te zijn. Waarom? was het een ‘fad’? Een mode-verschijnsel? Nee, en hier duiken de verzamelaars op: zij hebben curatoren ingehuurd, banen gegeven (per slot richten velen van hen privé musea op, leve de belastingaftrek en de hogere sociale status!). De ‘educational turn in curating’ verplaatste zich van universitair naar salonfähig, immers: privécollecties zijn ook veel minder burocratisch en in staat sneller te reageren en hebben geen eindeloze staf met ‘development’ personeel nodig: de geldschieter zijn zij uiteindelijk zelf! Het grote belang dat verzamelaars vormen voor kunstenaars is al eeuwen lang een onomstotelijk feit. En het is geweldig om te zien hoe ook in Nederland kortgeleden een privécollectie op het hoogste niveau openbaar is gemaakt, en hoe, dankzij het feit dat de Nederlandse overheid uiteindelijk heeft ingezien hoe essentieel financiële tegemoetkoming is, het landschap ook met bescheidener verzamelingen is uitgebreid.

De Rijksakademie weet ook deze actoren in haar gelederen te betrekken: enthousiast bezoeken zij de jaarlijkse open dagen en ook in het bestuur en raad van toezicht zijn collectionneurs vertegenwoordigd. Omdat zij zich dicht bij het ontstaan van kunst willen bevinden. Maar waaruit bestaat dat kunst-‘onderwijs’ of ‘wegwijs maken’ op het hoogste niveau? Uit het feit dat het de participant de best mogelijke faciliteiten biedt en contacten creëert die van groot belang zijn voor een wezenlijk internationale beroepspraktijk. Vanuit de VS gezien is het kunstonderwijs in Nederland heel wendbaar, inventief en breed van opzet, al komt de echte reflectie en theoretische onderbouwing pas wat later -en wat mij betreft soms te laat- aan bod. Het is niet eenvoudig om ‘de beste’ te kiezen binnen zo’n rijk gebied als de post-academiale opleidingen, die bovendien sterke bezuinigingen hebben moeten verwerken. Daarnaast is het idee van een prijs altijd een specifiek concept, waar je vaak appels met peren moet vergelijken, Gezien van een afstand had men misschien kunnen kijken naar het tweede fase-kunstonderwijs als geheel, waarin de Rijksakademie, de Ateliers, de Jan van Eyck en vele andere sterk van elkaar verschillende maar actieve en succesvolle instellingen samen een heel krachtig veld bieden waar de zich ontwikkelende kunstenaar zich in alle vrijheid kan ontplooien. Maar het idee van de AICA was dat een jury een primus inter pares zou aanwijzen, en zo wordt een oorkonde -niet een prijs- vandaag uitgereikt aan een instituut dat excelleert (ik citeer) “in de combinatie van professionaliteit op intellectueel en vaktechnisch gebied, de actuele stellingname, en de mix van deelnemers die de Rijksakademie tot een onderscheidend topinstituut hebben gemaakt en tot een belangrijke speler in de internationale kunstwereld.”(einde citaat)

Dat de Rijkakademie als een primus inter pares verschijnt, komt mijns inziens door de vroegtijdig gestarte opzet ‘in den brede’: hoe zij geografisch gespreid opereert, en daardoor een grote diversiteit laat zien. Bovendien zijn het bijzonder getalenteerde kunstenaars, ook vele uit het buitenland die er al jaar en dag gedurende wisselende perioden les gaven en geven. Mijn voormalig collega uit New York, Dennis Adams, gaf er elf jaar lang les. Hij beschrijft de selectie als zeer rigoureus en het onderwijs als “the very best of the best”. Toch vond hij het ook een klooster-, een ‘monastery quality’ hebben. Ik denk dan: komt dat wellicht omdat men behalve tijdens de open dagen weinig naar buiten treedt? Zou een publicatie, of een blog op de website die perceptie van isolement mogelijk doorbreken? Maar een huidige deelnemer uit Engeland, Alex Farrar, echo-t dat idee van klooster (ik citeer) “I also enjoy the feeling of the cloister behind the iron gate, where play, with all the false starts, dead ends and accidents are allowed to happen, without the pressure of meeting demands/budgets/expectations that professional life usually infers” (einde citaat)

Ik wil mij aan het einde van deze laudatio niet als een kritikaster ontpoppen: ik vraag u daarentegen om een geweldig applaus voor het jarenlange succes van dit prachtige instituut: Leve de Rijksakademie!!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *