Laudatio Eye Filmmuseum

Op maandag 28 oktober 2019 kende AICA Nederland Eye Filmmuseum de AICA-Oorkonde toe. Tijdens de ceremonie droeg schrijver en filmjournalist Basje Boer haar laudatio voor.

Lees hieronder de laudatio ‘Haaks op de horizon’ terug.

Collectiecentrum, foto Paul van Riel
Collectiecentrum, foto Paul van Riel

Haaks op de horizon

door Basje Boer

Bekijk je kunst in een zwarte doos of in een witte kubus?

            Laat je het licht ruim over het werk vallen? Of bundel je het licht, om het in via één punt breed uit te laten waaieren?

            Neemt het kunstwerk je mee naar binnen, naar de gedachten en de beleving van één persoon?

            Of neemt het je mee naar buiten? Is het zo weids als de horizon? Omvat het heel de wereld? Is het zo breed als het leden? Zo lang als de geschiedenis? Reikt het zelfs voorbij het nu?

De gedachte overvalt me wel eens. Het is een gedachte in de vorm van een vraag. Wat gebeurt er, vraag ik me af, wanneer je de deur naar een filmzaal opendoet, wanneer je een plekje zoekt, wanneer het licht uitgaat en je je overgeeft aan het verhaal dat zich aftekent in licht. Wat gebeurt er precies?

            Ik zit vooraan: eerste rij, in het midden. Ik duld geen hoofdjes voor me. Maar ik heb het publiek wel nodig. De gedeelde focus. De aanwezigheid van lichamen, ergens achter me in het donker. Die hoofdjes – allemaal dezelfde kant op gericht; figuurlijk, letterlijk. Een woord dat soms aan lippen ontsnapt. Een zucht, een snik. Een gedeelde lach.

            Rewind. Je doet de deur naar de filmzaal open. Je zoekt een plekje: eerste rij, in het midden. Het licht gaat uit, je geeft je over. Er zit een paradox verstopt in de bioscoopervaring, maar ik krijg mijn vinger er niet helemaal achter. Wat gebeurt er precies?

            De zaal, het donker. Het verhaal dat binnen een tijdsduur van honderdtwintig minuten past, binnen de afmetingen van het doek. Er zijn de openingstitels en de end credits: kop, midden, staart.Er is de stilte en de stillness, de bewegingsloosheid. Er zijn regels, er is iets overzichtelijks en opgeruimds aan de bioscoopervaring. Er is een beperking waar we ons graag naar voegen, want binnen die beperking is het makkelijker om je te over te geven.

            En dan – de wereld die opengaat. Op dat doek, binnen de beperking van die afmetingen, ontvouwt zich het verhaal van één of dat van velen, een verhaal dat je mee naar binnen of mee naar buiten neemt, dat zo weids is als de horizon, dat heel de wereld omvat, dat zo breed als het heden en zo lang als de geschiedenis is, dat zelfs voorbij het nu reikt.

            Film maakt alles plat, letterlijk – en tegelijkertijd gooit film alles open.

Rewind. Zoom uit. God-shot op al die hoofdjes die dezelfde kant op gericht zijn – op mij. Maandagmiddag. Interior, Eye. Filmtheater, filmmuseum, verzameling trefzekere lijnen aan het IJ. Geen plek in Amsterdam, of in Nederland, of kijk maar hoe ver je uitzoomt, weet de paradox van film zo interessant zichtbaar te maken. Het binnen en buiten zijn. Het platte en het ruimtelijke. Het ongrijpbare en het concrete. De afspraken en het grenzeloze.

            Een stukje terug nog. Rewind. Voordat je de deur naar de filmzaal opendoet, is er die verzameling lijnen aan het water. Die markante tekening aan de horizon. Je bestijgt een van die lijnen, de lijn neemt je mee naar binnen, of je volgt hem om het gebouw heen. Op de een of andere manier is er geen onderscheid tussen buiten en binnen, binnen en buiten. Het dak steekt een stukje uit en maakt het buiten binnen. Het uitzicht is overal gelijk. De boten koersen op tafelhoogte.

            Rewind. Je doet de deur naar de filmzaal open. Wacht. Spoel terug. Je neemt een andere lijn, de trap naar boven. Je kiest een andere zaal, een ander donker. Een andere focus, een andere lijn om langs te kijken. En wat gebeurt hier dan? Waar geef je je hier aan over?

            De tentoonstellingsruimte houdt zich niet aan de afspraken die het medium film heeft afgedwongen. Deze ruimte, deze zaal, deze verdieping, dit donker, breekt alle regels, herdefinieert ze, stelt ze aan de orde. Hak een film in stukjes. Dien ‘m op in nieuw servies. Maak hem kleiner, groter, geef hem meer dimensies, of minder, trek de boel open, haal alles binnenstebuiten. Binnen en buiten.

            Natuurlijk zijn die afspraken er wel. De afspraak van verhoudingen bijvoorbeeld, gedicteerd door muren en oppervlakken. Maar in dit donker gebeurt iets – iets anders,iets onvoorspelbaars, iets opwindends – dat verschilt van wat er gebeurt in het donker van de filmzalen. Er worden andere vragen gesteld.

Hier wordt de blik zwart/wit en de weg onverhard. Hongarije wordt weerspiegeld in de gladde vloeren tijdens Béla Tarrs Till the End of the World. Ik herinner me de houten tafel, in het midden van de ruimte, oplichtend in gebundeld geel licht. De enige kleur in heel de tentoonstelling. Ik herinner me de eenzaamheid van die ene kleur. De laatste kleur aan het einde van het bestaan.

            De meer traditionele tentoonstellingen, de tentoonstellingen gewijd aan een enkele filmmaker, aan een enkel oeuvre, zoomen in en dan weer uit. De blik gaat naar voren, naar de wanden en de schermen, en dan weer naar beneden, naar de tafels, waar ieder object, ieder document, iedere foto met omkrullende hoekjes met de grootste zorg en aandacht is neergevlijd. Maar de blik doet meer. Er zijn inkijkjes en doorkijkjes. Om-de-hoek-kijkjes. De blik verzamelt een beeld bij elkaar dat niet plat is, maar gelaagd. De blik kruist en kaatst en gaat via de ene ruimte naar de andere, waar weer een nieuwe laag aan het kijken wordt toegevoegd.

            De rol van het lichaam in het werk van Martin Scorsese. De mannenlijven: krachtig of verzwakt. Tot symbool gemaakt aan het kruis. Tot pulp geslagen in de ring. Groter dan levensgroot geprojecteerd, vereerd – het is niet moeilijk er de verafgoding van het katholicisme in te zien.

            Antonioni’s gestileerde existentialisme, op een heel andere manier monumentaal. Statig en ongenaakbaar. Het evenwicht van het beeld contrasteert met de wankele binnenwereld van de personages.

            De breekbare poëzie van Alex Warmerdam. De rijkdom van de tentoonstellingen rond Stanley Kubrick en David Cronenberg. De breedte van Kubrick – alle genres, vele decennia – en de diepte van Cronenberg, die dezelfde ideeën en fascinaties steeds in een ander verhaal en andere beelden vat.

            De beeldend kunstenaars dan, die film oprekken, uitgummen, opnieuw vormgeven, opnieuw uitvinden om door te geven aan volgende generaties kijkers, makers, uitvinders. En, daarnaast, de beeldend kunstenaars die juist naar het verleden kijken. Die de wetten van het medium juist handhaven omdat film, een massamedium, een taal is die we allemaal spreken. Die taal kun je gebruiken, om nieuwe verhalen te vertellen.

            De optocht die William Kentridge door ruimte laat trekken.

            De geesten van Apichatpong Weerasethakul die de ruimte vullen, ongrijpbaar als het licht uit de projector, maar nog diffuser.

            De wieken van een helikopter die loom en dreigend schaduwen maken op het doek, in A Tale of Hidden Histories, een tere en aangrijpende tentoonstelling waarin nationale trauma’s worden blootgelegd, vaak door de constructie van het werk en het medium zelf te laten zien.

            Cinema Remake, vijf jaar eerder, een tentoonstelling waarin films worden geabstraheerd, soms tot niet meer dan kleur.

            Oskar Fischinger, een jaar dáárvoor, wiens abstractie juist vrij is van een concept, vrij van een verhaal. Dit is film teruggebracht tot het allerkleinste, tot zijn meest basale vorm, zijn wezen. Vorm. Licht. Contrast. Beweging.

Wat de tentoonstellingen in Eye doen, allemaal op hun eigen manier, en op steeds weer een ándere manier, is het medium film deconstrueren. Ze laten de achterkant zien. Ze laten de onderdelen zien. Ze vervlakken en onttoveren het, en maken het daarmee juist rijker, gelaagder, magischer.

            Hier, in dit donker, wordt er meer van je gevraagd dan in dat andere donker, het donker van de filmzaal. Je moet meedoen, meedenken. Zelf de vraagtekens zetten. Of ze wegnemen. Zelf het narratief, een gemankeerd narratief, bij elkaar scharrelen. De open plekken invullen. En dan is er nog het fysieke element. Je zit niet achterover, je kan niet op standby – lopen moet je, bewegen door de ruimte. Keuzes maken – rechts of links?

Rewind naar een woord: deconstructie. Want dat is iets interessants. Niet alleen in de tentoonstellingsruimte wordt het medium film gedeconstrueerd, heel Eye spant samen om het medium te ontleden, en het in brokken op te dienen. Wat ik bedoel te zeggen is dat een lezing zo’n brok is, een inleiding voorafgaand aan een film, een tweegesprek achteraf. Een conferentie. Een concert. Een publicatie is een brok. De museumwinkel is een brok. Als ik nou echt in een lyrische bui ben, dan zijn de boten die langs de lijn van de horizon voorbijtrekken een brok. En al die brokken stellen dezelfde vraag: wat is dat, film?

            Is het belangrijk om die vraag te stellen? Wat is film? Wat doet film? Wat zegt film? Wat gebeurt er, waar geef je je aan over? Moet Eye, een filmmuseum, een filmarchief, die vragen wel stellen? Moet Eye wel deconstrueren, opdelen in brokken? Is de essentie van dit instituut niet behoud?

            Ik kan eindeloos vragen blijven stellen; nu ga ik een antwoord geven. Wat Eye laat zien is dat behoud juist schuilt in deconstructie. Dat bewaren alleen niet genoeg is. Dat je de vragen nodig hebt. Dat geschiedenis nooit op zichzelf kan staan, maar altijd het nu en de toekomst nodig heeft, en omgekeerd, en dat het stellen van vragen, meer dan het beantwoorden ervan, de manier is om geschiedenis, heden en toekomst aan elkaar te knopen.

Gaan we weer, terug naar de openingsscène. Exterior, Eye. Langs de lijnen, haaks op de horizon, klimt deze protagonist naar boven. Interior, Eye. Trap naar boven, meer lijnen die kruisen en haken, die elkaar tegenspreken en harmonieus samengaan. Hand op de deurklink. De deur gaat open. Deze protagonist stapt het donker in. En geeft zich over.