Architectuurbiennale

 

Het Chileense paviljoen.

Het Chileense paviljoen.

Door Marga van Mechelen

35 jaar zijn verstreken sinds Paolo Portoghesi Rem Koolhaas uitnodigde voor de eerste architectuurbiennale in 1980. Deze biennale, bedoeld als een viering van het post-modernisme, droeg vooral het stempel van Charles Jencks, toen de goeroe van het extraverte postmodernisme. De architecten kregen in de Strada Novissima, opgebouwd in de Arsenale, gelegenheid met hun frontons hun visitekaartje af te geven om daarmee ook hun binding met het verleden uit te drukken. Enkele scholen binnen het post-modernisme werden uitgesloten, maar Portoghesi zorgde wel voor aandacht voor de Italiaanse architectuur die destijds zijn hoogtijdagen beleefde en zich sterk onderscheidde van vooral de Amerikaanse architecten; Aldo Rossi had een jaar eerder zijn Teatro del Mondo op de punt van Dorsoduro geplaatst.

In zijn Inleiding in de catalogus uit Koolhaas zich enigszins kritisch over Portoghesi’s biennale. Deze kritiek lijkt er toe geleid te hebben dat zijn biennale in alles anders moest zijn. Geen viering van architecten maar een concentratie op de architectuur, geen Westerse claim ook op een universele architectuur of het model van de stad. Dan vergeten we nog een belangrijk verschil: hoewel Portoghesi zijn biennale als titel gaf ‘The presence of the past’ ging het primair om voorstellen voor een nieuwe architectuur met een persoonlijk idioom. Het begin van een inmiddels lange biennale traditie. Een breuk daarmee alleen al is radicaal te noemen.

Koolhaas kijkt voornamelijk terug, al is zijn mondiale perspectief hedendaags; het heeft geresulteerd in de deelname van zesenzestig landen – een absoluut record. Aan hun organisatie en curatoren de vraag om de geschiedenis van de modernisering van hun land te tonen, in de periode 1914-2014. De meesten hebben daaraan gehoor gegeven, maar opvallend genoeg is ‘modernisering’ als regel begrepen als ‘de geschiedenis van het modernisme’, met uitsluiting of veronachtzaming in veel gevallen van het postmodernisme. Hebben ze Koolhaas’ gedachten gelezen?

Het door veel landen gekozen format voor Absorbing Modernity 1914-2014, het overkoepelende thema van de landenpaviljoens, is dat van de tijdsbalk: een ogenschijnlijk objectieve opsomming van historische mijlpalen uit de geschiedenis van de modernisering of vaker dus het modernisme. Op het tweede gezicht niet zo objectief, want veel landen willen tegelijk duidelijk maken hoe zij zichzelf plaatsen in dat mondiale spectrum. Zo laat Brazilie zien dat het altijd een hoofdrol heeft gespeeld in het modernisme. Andere landen maken duidelijk dat ze het modernisme kregen opgedrongen, bijvoorbeeld door een dictator of – zachtzinniger – door een bevriende mogendheid. In overigens een heel ander format dan dat van een tijdsbalk laat Chili dit laatste zien. Een ruimte met in het centrum een betonnen geprefabriceerde plaat, bouwsteen voor snelle woningbouw, waar vadertje Rusland Chili aan hielp. Een foto toont Allende die zijn dankbaarheid voor de door de Sovjet Unie gebrachte modernisering symbolisch tot uiting brengt met het in het nat cement schrijven van zijn naam. Rusland zelf lost de vraag van Koolhaas in het paviljoen in de Giardini geestig op door het publiek zijn hele geschiedenis te koop aan te bieden in de setting van een beurs, om daarmee de uitwisselbaarheid te benadrukken in plaats van de fundamentele ideologische verschillen waardoor deze periode zich kenmerkt. Fair enough staat met grote gekleurde neonletters op de buitenkant van het paviljoen geschreven. Zo zijn er meer landen die er een heel eigen draai aan geven, maar ook als ze het format van de tijdsbalk volgen worden stellingen betrokken, soms in de kleine letters. Argentinie bijvoorbeeld dat als een van de weinige landen naar voren brengt dat het postmodernisme voor hen gelijk kwam met het einde van de dictatuur en daarom in een positiever daglicht gezien wordt. De verschillende politieke contexten maken de invulling van het thema Absorbing Modernity fascinerend.

De opdracht van Koolhaas heeft tot een explosie van kennisproductie geleid. Alleen dat al maakt deze biennale zo waardevol. Hij zelf, met studenten van Harvard en veel andere curatoren, hebben de kennisproductie verder centraal gesteld in Elements of Architecture, de grote centrale tentoonstelling in de Giardini. Vijftien basiselementen van de architectuur worden onder de loep genomen vanuit op de eerste plaats een historisch perspectief, maar zoveel mogelijk ook in beelden en objecten verteld. Teamwork op de eerste plaats maar we herkennen hierin toch Koolhaas van andere projecten, en van specifieke obsessies. Want dringt de vergelijking van Koolhaas’ ontwerp voor een uitbreiding van de Arnhemse Koepelgevangenis zich niet op bij het zien van het gangenstelsel van het landgoed Welbeck Abbey in Sherwood Forest, ontworpen door de pathologische eigenaar zelf, de vijfde hertog van Portland? Beide ondergronds, beide afgesloten van de buitenwereld, beide het domicilie van een kunstmatige minimaatschappij.

Ook de Monditalia is zodanig ingevuld dat de onderwerpen aan Italie’s geschiedenis niet alleen op zich interessant zijn maar ook makkelijk naar meer algemene mondiale situaties getransponeerd kunnen worden. In tegenstelling tot Elements of Architecture dat zeer toegankelijk (maar nooit oppervlakkig) is, vraagt dit onderdeel van het drieluik meer van de bezoeker. Maar ook hier is de vormgeving een groot visueel genoegen, spat de creativiteit er van af maar blijft de presentatievorm uiteindelijk dienstbaar aan de logistiek en inhoud van de tentoonstelling.

http://www.labiennale.org/en/architecture/

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *