Kunstkritiek onder druk. 52e AICA-conferentie in Keulen en Berlijn, oktober 2019

Met een vol programma, verdeeld over Keulen en Berlijn, nodigde AICA Duitsland alle 5000 AICA-leden in oktober uit. Het thema was actueel én universeel: Kunstkritiek in tijden van populisme en nationalisme. Alle programma-onderdelen zijn inmiddels via deze link op Youtube terug te kijken. Maar AICA-Nederland was ook fysiek aanwezig, voorzitter Joke de Wolf schreef een verslag. (klik als u de rest van het bericht niet ziet, op ‘Lees verder’, linksonder de foto)

Yilmaz Dziewior, directeur van het museum Ludwig in Keulen, hield naar eigen zeggen heel bewust een korte toespraak: het ging hier om de kunstkritiek, niet om het museum

Oorspronkelijk was het plan het hele programma in Noordrijn-Westfalen te houden, vertelde Isabel Preiffer-Poensgen. Deze minister voor cultuur en wetenschap van Noordrijn-Westfalen kreeg het woord bij de opening van de vijf dagen congres en vergaderingen, georganiseerd door AICA Duitsland, in het Keulse Museum Ludwig. De zaal zat bijna vol. Al zal die uitspraak veel jonge Nederlanders, die tussen Arnhem en Berlijn vooral saai platteland verwachten, verbazen, was dat geen raar idee geweest. Deelstaat Noordrijn-Westfalen is qua inwoners gelijk aan Nederland, qua oppervlakte iets kleiner, en heeft een meer dan bloeiend cultureel leven. Veel van de grote bedrijven, de motoren van de Duitse én Europese economie, hebben er geïnvesteerd in musea en privéverzamelingen van internationale klasse, daarnaast was Keulen tot dertig jaar geleden, tot de val van de muur, dé culturele hoofdstad van West-Duitsland – sommige galeries vertrokken in de jaren negentig naar Berlijn en zijn nu zelfs weer terug in Keulen. Toch besloot de organisatie van de conferentie, AICA-Duitsland, uiteindelijk ook Berlijn in het programma op te nemen.

Zo kwam het dat de eerste twee dagen, die van de commissievergaderingen, bestuursvergadering en algemene ledenvergadering, in Keulen plaatsvond, en het hele gezelschap daarna met de trein naar Berlijn vertrok. Jammer was dat wel, want aangezien de meeste aanwezigen inderdaad bij de vergaderingen moesten zijn, konden maar weinigen deelnemen aan het speciaal georganiseerde excursieprogramma langs musea en galeries in Düsseldorf, Krefeld en Keulen. (Ik had gelukkig al op de maandag ervoor de tentoonstelling over DDR-kunst in Museum Kunstpalast in Düsseldorf kunnen bezoeken, die bespreking in Trouw is hier te lezen)

Wellicht overbodige achtergrondinformatie: AICA-International is de overkoepelende organisatie voor de ongeveer 63 nationale AICA’s en de open sectie, waar kunstcritici zich bij kunnen aansluiten die geen nationale afdeling hebben. Het hoofdkantoor zit in Parijs, de plek waar AICA in 1949 vanuit Unesco is opgericht. Daar is ieder jaar in maart een bestuursvergadering, en dan vergaderen ook de commissies. Er zijn tien commissies, met algemene thema’s als ‘statuten en regels’ en ‘financiën’ en meer specifieke thema’s als ‘publicaties’ (verzorgt publicatie van teksten van (prijswinnende) kunstcritici uit de hele wereld) en ‘censuur‘, die probeert op te komen voor kunstcritici en kunstenaars die op de een of andere manier beperkt worden in hun werk.

Deze commissies en het bestuur worden bevolkt door mensen die meestal ook al actief zijn bij de nationale sectie van AICA. De voorzitters van alle 63 landen hebben toegang tot alle vergaderingen (verslagen en notulen ervan zijn voor alle AICA-leden in te zien op de site van AICA International, inlogcode wordt ieder jaar toegestuurd). Dit jaar ging het in de vergadering onder andere over de herziening en stroomlijning van de nationale statuten – ook die van de Nederlandse AICA zullen licht worden herzien, daarnaast wordt het voor AICA-leden mogelijk op de website een lijst te zien van alle leden wereldwijd, mits daar uiteraard toestemming voor is verleend.

Naast de jaarlijkse maart-vergadering in Parijs, is er ook ieder jaar een congres, ledenvergadering én bestuursvergadering in een van de AICA-landen. Vorig jaar was dat in Taiwan, dit jaar dus in Duitsland.

In Keulen was er in het Museum Ludwig aandacht voor Walter Grasskamp (1950), de kunstcriticus die de ‘Prize for Distinguished Art Criticism’ van AICA International voor zijn hele oeuvre in ontvangst nam. Julia Voss, vroeger kunstcriticus voor oa de Frankfurter Allgemeine Zeitung, ze werkt nu aan een biografie van Hilma af Klint, sprak een laudatio uit, de laureaat zelf was ook aanwezig en vertelde over zijn teksten over Hans Haacke en diens onderzoek naar het kunstverzamelaarsechtpaar Peter en Irene Ludwig. Onder de aanwezigen was ook Museum Ludwig-directeur Yilmaz Dziewior, Grasskamp wees er subtiel op dat het voor een criticus altijd goed is kritisch te zijn over de plaats en context waarin kunst wordt getoond. Dziewior liet gastvrij de critici de ruimte. Ter afsluiting was er een lezing-performance van Dieuwke Boersma (NL) en Vanja Smiljanić (Servië), ‘I don’t think you’re ready for this jelly’, waarin ze de huidige populistische en nationalistische stromingen vergeleken met ‘The Blob’, een horrorfilm uit 1988.

Scene uit ‘I Don’t Think You’re Ready for this Jelly’, lecture performance van DIeuwke Boersma en Vanja Smiljanic

In Berlijn ging de conferentie van start in het Hamburger Bahnhof. Jacques Leenhardt, ere-voorzitter van AICA International, hield in het Duits een lezing over de geschiedenis van de Duitse AICA rondom de eenwording in 1989-1991, toen hij zelf voorzitter was van AICA-International. Ook was er een interessante, verfrissende lezing van politicoloog Oliver Marchart over de karakteristieken van populisme. ‘Populisme is geen inhoudelijke stroming, het zegt iets over de manier waarop de politicus omgaat met zijn/haar publiek. Dus iemand uitmaken voor ‘populistisch’ is een zwaktebod, het zegt niets over de inhoud van de boodschap.’ Meer kunsthistorisch geöriënteerd waren de presentaties over het thema van het Humboldt Forum (de ruimte in het gereconstrueerde stadsslot waar het etnologisch museum en het museum voor Asiatische kunst een grote rol zullen krijgen in de tentoonstellingen). Thomas E. Schmidt vertelde over ‘Warum es so kompliziert ist, Kunst zurückzugeben’, Sarah Hegenbart zette uiteen hoe de herinneringspolitiek zo pontificaal kon mislukken, en Arlette-Louise Ndakoze gaf een performance-lecture over de ‘handelingen van de artefacten in Humboldts forum.’

De volgende dagen van het congres waaierden de lezingen uit in de ruimtes van de Berlinische Galerie, waar overigens ook een fraaie Bauhaus-tentoonstelling te zien was. Aangrijpend was de ronde tafeldiscussie aan het eind van de tweede dag rond het thema ‘Politische Zensur und ihre Auswirkung auf die Kunstproduktion und die Kunstkritik’, waarbij Vivienne Chow vertelde over de protesten in Hong Kong en de manier waarop kunstenaars de straat gebruikten om direct te reageren op de regering. Erden Kosova (een van de redactieleden van het e-journal red-thread.org) vroeg aandacht voor de zaak van de Osman Kavala, de zakenman en cultureel mecenas die sinds 2017 als politiek gevangene vastzit in Turkije. Allemaal zaken die ook in de speciale Censorship and Freedom of Expression Committee van AICA-International de revue passeren en waar AICA zich waar mogelijk openlijk tegen uit te spreken.

Vivienne Chow uit Hong Kong vertelt over de kunstenaarsinitiatieven die tijdens de protesten in Hongkong zijn ontstaan, en over de vraag hoe je die archiveert.

Hoogtepunt van de laatste dag van het congres was wat mij betreft het gesprek tussen Kolja Reichert, kunstcriticus van de Frankfurter Allgemeine, en kunsthistoricus en -criticus Wolfgang Ullrich, met de titel ‘Die Krisen der Autonomie und die Zukunft der Kunstkritik’, naar aanleiding van Ullichs ‘aanvaring’ met kunstenaar Neo Rauch. Ullrich had Rauch in een artikel in Die Zeit over rechts-georiënteerde kunstenaars genoemd, en daarop had de kunstenaar gereageerd met een schilderij – (geen bijzonder goed schilderij, wel uit’t hart) dat ook in de krant werd afgedrukt. Daarop zette Rauch Ullrich neer als ‘Der Anbräuner’, vrij vertaald de hakenkruis-omhanger. Ik schreef er zelf eerder in een column voor HP/De Tijd al eens over. Het was jammer dat Rauch er zelf niet bij was om zijn kant van het verhaal te vertellen, maar het was fijn dat het op deze manier tijdens dit verder erg politiek getinte congres toch ook nog over een kunstwerk en een kunstenaar ging, en we daar gezamenlijk naar konden kijken, en dat was, ondanks of juist vanwege de grote emoties die erachter schuilgingen en de matige kwaliteit van het werk, erg prettig. Het wordt in alle bestuurs- en subsidie-touwtrekkerij nog wel eens vergeten, dat kijken naar, en praten over kunst.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *