Raad van Cultuur zaait verwarring en oogst kwaliteitsverlies

Op Prinsjesdag presenteerde de minister van Cultuur haar cultuurbeleid waaronder de subsidiëring van instellingen in de zgn. Basis Infrastructuur (BIS) voor de periode 2017 – 2020 aan de Tweede Kamer, om eind november de cultuurbegroting te behandelen en vast te stellen. Postacademische instellingen, die daar onderdeel van vormen, weten dan waar ze aan toe zijn. Het adviesorgaan van de minister, de Raad voor Cultuur, zaait – in ieder geval voor wat betreft de ‘postacademische instellingen in de beeldende kunst’- met de in het advies 2017 – 2020 gehanteerde beoordelingscriteria, verwarring. Kwaliteitsverlies ligt in het verschiet.

Groei kunstenaarschap, ontwikkeling kunstenaarspraktijk

Kunstenaarschap bouwt zich levenslang op – ‘van de wieg tot het graf’ – gebruikmakend van aanleg en omstandigheden. Steeds meer facetten ontvouwen zich en het palet aan kunstenaarsposities breidt zich verder uit: van de klassiekere oriëntatie op het kunstwerk in een museale omgeving naar de sociale dimensie van het object in de openbare ruimte, de kunstenaar betrokken bij complexe ontwerpprocessen, de kunstenaar-curator die verbanden legt tussen kunstenaars of kunstwerken, overdracht van kennis en ideeën door de kunstenaar als ‘educator, etc. Vele varianten met als gemeenschappelijke kern het ‘kunstenaarsspecialisme’ om betekenissen te achterhalen, te internaliseren, te transformeren en meestal in visuele vorm – in een portret, een performance, een samenwerkingsproject, een film – te distribueren, weer terug te geven. Met als centrale vraag “waar sta ik en waar sta ik voor”.

jamesbeckett_juli2016

James Beckett geeft een lezing over zijn werk Palace Ruin. Foto: José Biscaya

Bij die groei en ontwikkeling, spelen naast (kunst)onderwijs ook kunstenaarsvoorzieningen een belangrijke rol: stimulering door stipendia en projectsubsidies, stedelijk atelierbeleid, buitenlandateliers van fondsen én de zogenoemde postacademische instellingen. Deze instellingen – die eerder als kunstenaarsvoorzieningen dan als kunstonderwijs gezien kunnen worden – staan onder ernstige druk en worden in hun voortbestaan bedreigd.

Postacademische instellingen en kunstonderwijs, kunnen niet zonder elkaar

De Raad wil “in een sectoradvies over beeldende kunst en vormgeving aandacht besteden aan criteria om de meerwaarde van postacademische instellingen te beschrijven in relatie tot kunstonderwijs (dat) investeert in deelnemers en hen begeleidt vanuit overeenkomstige criteria”. Dit oude liedje is overbodig want zo’n onderzoek is al vaak gedaan, zonder effect.

Laat ik een handje helpen door contrasten tussen postacademische instellingen en kunstonderwijs te schetsen. BAK (Basis voor Aktuele Kunst in Utrecht), EKWC (Europees Keramisch Werkcentrum in Oisterwijk), De Ateliers en de Rijksakademie van beeldende kunsten (beiden in Amsterdam) en Van Eyck (Jan van Eyck Academie in Maastricht) zijn die instellingen, gericht op kunstenaars met (enige) zelfstandige praktijkervaring: uit de praktijk en ‘reeds op eigen benen’. De primaire opgave van de postacademische instellingen is de strenge selectie uit vaak duizenden aanmeldingen. Bij de vijf instellingen worden slechts enkele tientallen kunstenaars toegelaten, sinds decennia uit een mondiaal spelveld, bijvoorbeeld slechts één op 70 aanmeldingen (bij de Rijksakademie). De strikt individuele werk- en onderzoekstrajecten worden gefaciliteerd. Begeleiding van deelnemers (ook wel residents genoemd) vindt plaats ‘op hun afroep’ door keurkorpsen van kunstenaars met een zeer actieve, internationale praktijk, op gelijkwaardige, collegiale basis. Er is geen curriculum of een andere vorm van programmatische begeleiding.

In vergelijking met onderzoekplaatsen buiten de kunst zijn de kosten bescheiden en binnen de kunst goed vergelijkbaar met andere residencies of de buitenlandateliers van het Mondriaanfonds; ze zijn echter niet vergelijkbaar met kosten per student in het kunstonderwijs. De deelnemende kunstenaars komen uit de praktijk en dragen vanaf de eerste dag bij aan het kunstklimaat in Nederland door hun werk en de door hen in de rugzak meegenomen professionele netwerken. Zij blijven ook na de werkperiode sterk verbonden met elkaar en met de Nederlandse kunstwereld. De postacademische instellingen zijn essentieel voor individuele talentontwikkeling én voor ontwikkeling van en innovatie in de beeldende kunst, via de individuele kunstenaars.

In internationaal perspectief neemt Nederland met de postacademische instellingen een unieke positie in: PhD programma’s voor kunstenaars (top van de onderwijspiramide) evenals artist-in-residencies bestaan overal, maar de combinatie van tijd en ruimte voor onderzoek en productie, uitwisseling binnen een hoog niveau kunstenaarspopulatie, goede woon- en werkomstandigheden met een brede en diepe advisering en begeleiding van de kunstenaars bestaat, voor zover ik weet, niet buiten onze landsgrenzen. De waardering voor zo’n integraal model vanuit de buitenlandse kunstwereld is dan ook groot.

De belangrijkste kenmerken van kunstonderwijs op Bachelor of Masterniveau wijken sterk af van het bovengeschetste beeld. De kunststudenten hebben geen (Bachelor) of beperkt (Master) zelfstandige werkervaring. Thans ontstaat weliswaar meer internationale spreiding in de studentenpopulatie, maar het zwaartepunt blijft liggen bij economisch ontwikkelde landen, Europa voorop. Het gaat per academie om honderden Bachelor- en enkele tientallen Masterstudenten. De primaire opgave van het kunstonderwijs is het slaan van een brug naar de beroepspraktijk. Selectie is secundair; de selectie-ratio is onvergelijkbaar laag namelijk één op 5 aanmeldingen – soms maar slechts één uit twee aanmeldingen. Het selectieproces door kleine, vrijwel uitsluitend Nederlandse panels is kort en snel. Het onderwijs is programma-gestuurd op basis van een curriculum, waarbij gestreefd wordt naar individuele differentiatie binnen de onderwijskaders. Docenten zetten zich zwaar in en hebben in het algemeen een overwegend nationale kunstenaarspraktijk, die door het docentschap onder druk staat. Het kunstonderwijs is essentieel als aanloop voor en basis van ontwikkeling kunstenaarschap en de latere kunstenaarspraktijk.

De overeenkomsten en verschillen zijn zo wel duidelijk, dat scheelt weer een rapport. De postacademische instellingen en het kunstonderwijs vullen elkaar aan. De specifieke eigenschappen van de postacademische instellingen, waarden om te koesteren door de Raad, de minister en de Tweede Kamer, liggen op het vlak van: (scherpe) selectie, (buitengewone) begeleiding en (professionele) netwerkontwikkeling, zoals ruim twintig jaar geleden door dr. Johan Heilbron aangegeven (‘Kunst leren’, 1993).

Postacademiale instellingen en musea

Door de Raad wordt aan faciliterende instellingen gevraagd ook te programmeren; twee benaderingen die elkaar kunnen bijten, kunnen uitsluiten of neutraliseren en die bij vermenging tot kwaliteitsverlies leiden. Bij het programmeren van ‘presentatie van kunst’ zoals door musea, mag je een instituutsvisie verwachten met een helder en aansprekend institutioneel profiel dat consistent is over de jaren. In essentie is daarvoor een top-down werkwijze nodig met eenheid van beleid: ‘alle neuzen dezelfde kant op’. De leiding is boegbeeld en moet dat ook zijn, de medewerkers zijn in staat om binnen vastgestelde kaders te werken.

Bij het faciliteren ‘van persoonlijke ontwikkeling’ zoals door postacademiale instellingen, ligt het primaat bij de individuele kunstenaars, die – na de extreem strenge selectie – respect, vertrouwen en middelen krijgen; zij bepalen bottom-up wat, wanneer tijdens hun werkperiode gebeurt. Dat vraagt om medewerkers met flexibiliteit, onzekerheidstolerantie, empathie én zelfstandig improvisatievermogen, in een amoebische organisatie zonder een allesomvattend institutioneel profiel. En om leiding die uit is op meerstemmigheid, contrast en wrijving, maar die niet op de voorgrond treedt.

Door programmering te vragen aan faciliterende instellingen wordt de bijl aan de wortel van die instellingen gezet, tenzij minister en Tweede Kamer daar een stokje voor steken.

Primair komt op de eerste plaats, secundair op de tweede, tertiair op de derde

Postacademische instellingen hebben als primaire doelgroep individuele kunstenaars, het primaire proces is faciliteren. Per definitie levert dat voor de buitenwacht – waar ik de Raad ook toe reken – een diffuus beeld op van die instellingen, tenzij men in staat is te ‘wegen’ op het niveau van: de ontwikkeling van individuele kunstenaars, hun bijdrage aan de kunst, hun persoonlijke waarde voor educatie en hun eigen rol bij publieksontwikkeling. De Raad weet zich daar geen raad mee en blijft hartstochtelijk zoeken naar het instituutsprofiel (dat er dus niet is en niet moet zijn). Inhoudelijke beoordeling schiet daardoor ernstig tekort. Erger nog, bij gebrek aan inhoudelijk beoordelingsvermogen worden prioriteiten verlegd: secundaire randactiviteiten zoals educatie en vergroting publieksbereik – op programmatische wijze – gaan in de oordeelsvorming van de Raad (en wie dat oordeel volgen) een hoofdrol spelen. Zelfs tertiaire organisatorische condities zoals fondsenwerving vullen kwalitatieve leemten in het Raadsadvies: De Ateliers wordt aangeraden (meer) personeel in dienst te nemen voor dergelijke secundaire en tertiaire zaken. En alsof dan alles beter wordt, verbindt de Raad tevens een door de Raad opgelegde fusie – modeziekte die elders bijna uitgewoed is – van De Ateliers en De Rijksakademie tot voorwaarde voor voortgezette subsidiëring op een toereikend niveau. Met fatale gevolgen voor die twee zo interessant verschillende instituten: zij zullen elkaar – als deeltjes met tegengestelde lading – neutraliseren en Nederland is twee internationale topinstituten kwijt. Dat is geen advisering op basis van hedendaagse inzichten, maar dwingelandij.

jeannoux

Jannoux van Deijk aan het werk in haar atelier. Foto: Roy Taylor

De vlinder en de sluipwesp

Ontwikkeling van kunstenaarschap gaat zoals gezegd levenslang door: daaraan dragen jeugdervaringen, kunstonderwijs, praktijkervaring en kennisverwerving bij, ook via postacademische instellingen. Met enige fantasie, is zo’n proces te zien als een cyclus van transformaties, metaforisch te vergelijken met een rups (sorry, kunstenaars) die zich tijdens het verpoppen ontwikkelt tot een prachtige vlinder. Die transformaties vragen – steeds opnieuw, en steeds anders – van postacademiale instellingen bijzondere inzet en aandacht, om de verpopping te bevorderen. De Raadsadviezen – een grabbelton, waarin ‘facilitair’ en ‘programmatisch’ door elkaar gehusseld worden, prioriteiten verlegd worden van kwaliteit naar randvoorwaarden en de kracht van het individu ondergeschikt gemaakt wordt aan een instituutsprofiel – leiden tot verwarring. De instellingen én de minister én de politiek, worden in de war gebracht met betrekking tot de kernfunctie van die instellingen, nauw verbonden met hun visie, genese en reputatie. Stel je nou toch eens voor dat de geadviseerde instellingen de Raadsadviezen serieus nemen en niet meer tijd, kennis, geld en aandacht in selectie, begeleiding en alumninetwerken gaan investeren, maar minder. En (extra) personeel aantrekken voor educatie-, publieksbereik- en fondsenwervingsprogramma’s, dan komt er geen prachtige vlinder uit de pop, maar kleine educatie-, publieksbereik- en fondsenwervingswespjes uit de in de pop gelegde eitjes door sluipwesp Raad voor Cultuur. Koester de pop en laat de vlinder geboren worden.

 

Dit artikel is (zonder overleg met de instellingen) geschreven op persoonlijke titel door Janwillem Schrofer (Amsterdam, 1945), coach van individuele kunstenaars en betrokken bij kunstonderwijs (o.a. workshops en visitatie). Hij was van 1982 tot 2010 hoogleraar-directeur van de Rijksakademie, met leerstoel ‘Sociaaleconomische positie van beeldend kunstenaars’ en adviseerde diverse ministeries, o.a. over vorming Raad voor Cultuur.