Laudatio Saskia Bos

—for English scroll down—

Amsterdam, 21 oktober 2016

Dames en Heren, beste collega’s,

Beeldend kunstenaar en musicus John Cage zei eens “you can fool the fans but not the players”.

Hoe bijzonder is het dat AICA Nederland als organisatie voor kunstcritici niet een curator of criticus of museum, maar nu ook een postacademiale instelling voor beeldende kunst uitkiest, en naast de keuze voor Witte de With en een activiteit als Art Rotterdam- deze instelling uiteindelijk heeft verkozen om van de AICA de oorkonde voor 2016 te ontvangen. Ik feliciteer de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam daarmee van harte.

img_2578

Saskia Bos leest de laudatio voor tijdens de uitreiking van de AICA Oorkonde 2016

Het is te begrijpen dat men voor deze laudatio op zoek was naar iemand met een achtergrond in de actuele beeldende kunst en in kunsteducatie en ik ben vereerd aan de uitnodiging gevolg te geven om de loftrompet over de Rijksakademie af te steken. Na 21 jaar De Appel in Amsterdam te hebben geleid en daarna elf jaar Dean te zijn geweest van de School of Art van Cooper Union in New York, geeft dit mij de gelegenheid iets over de waarde en plek van het kunstonderwijs in de samenleving te zeggen en over het belang van kunstenaars die andere kunstenaars ‘op weg helpen’. Opniew haal ik Cage over kunstonderwijs aan: “Nothing is a mistake. There is no win and no fail. There is only make.”

Ik bedoel met het ‘op weg helpen’ het stimuleren om die onafhankelijke kunstenaars/sensoren te worden en te blijven dankzij wie critici, filosofen, denkers, en iedereen die de kunst met belangstelling volgt, signalen ontvangen over waar de kunst zich om bekommert en soms ook waar de wereld naar toe gaat.

En daarmee verplicht het kunstonderwijs zich ook te transformeren, en de overdracht, de ‘transmission’ steeds opnieuw te bekijken vanuit eigentijdse ontwikkelingen. De vertaling naar nieuwe generaties vraagt om betrokkenheid bij het heden. Is er de wil om te veranderen of wil men bewust rigide zijn? de externe invloeden weerstaan? Zoekt men naar een autoriteit buiten de eigen gelederen? Of zorgt affiniteit met wat er gaande is vanzelf voor osmose, een open blik, ook naar andere instellingen met wie men samen optrekt, in solidariteit maar ook uit overtuiging?

De afgelopen 25 jaar is de topografie van het maken afgevlakt, meer horizontaal geworden, schrijft Steven Henry Madoff in zijn uitstekende door MIT uitgegeven bloemlezing Art School. Geen een discipline, genre, stijl of kunstenaar domineert, en dat heeft kunstacademies gedwongen zich nog meer bezig te houden met de vraag wat kunstenaar zijn vandaag de dag betekent, en waar de professie zich bevindt temidden van gebieden als filosofie, research, handwerk, technische training, en marketing.

Hij schrijft: ‘The factory of ideas, objects, practices, and pedagogies that constitute an art school today, as they will tomorrow, seems particularly restless, wanting more porosity, irritated by bureaucratic weight, impatient for new shapes, even for an ephemeral life.’

Ik voeg daar zelf het volgende aan toe: Terwijl de kunst weer steeds meer actie en handeling en research wordt, moeten we niet alleen focussen op materialisering, reificatie, verzamelbaarheid, want uiteindelijk gaat het om wat de kunst uitdraagt, en dat kan ook protest, verzet en alternatief zijn, verpakt in vormen die niemand nog begrijpt, als steelse mededelingen aan een kleine groep gelijkgestemden die alles wat wij nu voor kunst en cultuur houden eens grondig willen bevragen en testen.

Vergeleken met de plek die kunstenaars innemen hebben kunstcritici en curatoren een andere, meer beschouwelijke rol. Maar het is met name de jarenlange ervaring van collega’s die jonge kunstenaars nodig hebben en dat doorgeven, in een peer-to-peer situatie, dat is wat ze bij de Rijksakademie onder meer zo goed doen.

De Rijksakademie stelt de participanten bloot aan veel invloeden van buiten en koppelt hen aan buitenlandse kunstenaars, critici en curatoren. Die laatsten kiezen er niet zelden voor om hen vervolgens voor een projekt uit te nodigen, wat een vruchtbare praktijk is gebleken, getuige het grote aantal alumni die je ook buiten Nederland overal tegenkomt.

Want curatoren staan dicht bij de kunstenaars en sinds een aantal jaren trekken universiteiten en opleidingsinstituten zich meer van curatoren aan. Men sprak wel over de Educational Turn in Curating om uit te leggen waarom menig curator -ook ik- begin deze eeuw naar kunstonderwijs aan de universiteit stapte.

Achteraf gezien is dat -denk ik- omdat de kunstwereld zo sterk gericht raakte op de handel en het meer over smaak leek te gaan dan om filosofie, kunstkritiek, ervaring. Zodat sommige universiteiten een ‘niche’ werden waar een curator zich uit de wind kon houden, waar commercie niet van invloed is. Dat dit laatste een illusie is, vooral in de VS waar leerstoelen gesponsord worden en studenten veel geld moeten lenen om hun onderwijs te betalen, ontdekte ik al gauw. De educational turn bovendien, lijkt alweer voorbij te zijn. Waarom? was het een ‘fad’? Een mode-verschijnsel?

Nee, en hier duiken de verzamelaars op: zij hebben curatoren ingehuurd, banen gegeven (per slot richten velen van hen privé musea op, leve de belastingaftrek en de hogere sociale status!). De ‘educational turn in curating’ verplaatste zich van universitair naar salonfähig, immers: privécollecties zijn ook veel minder burocratisch en in staat sneller te reageren en hebben geen eindeloze staf met ‘development’ personeel nodig: de geldschieter zijn zij uiteindelijk zelf!

Het grote belang dat verzamelaars vormen voor kunstenaars is al eeuwen lang een onomstotelijk feit. En het is geweldig om te zien hoe ook in Nederland kortgeleden een privécollectie op het hoogste niveau openbaar is gemaakt, en hoe, dankzij het feit dat de Nederlandse overheid uiteindelijk heeft ingezien hoe essentieel financiële tegemoetkoming is, het landschap ook met bescheidener verzamelingen is uitgebreid.

De Rijksakademie weet ook deze actoren in haar gelederen te betrekken: enthousiast bezoeken zij de jaarlijkse open dagen en ook in het bestuur en raad van toezicht zijn collectionneurs vertegenwoordigd. Omdat zij zich dicht bij het ontstaan van kunst willen bevinden.

Maar waaruit bestaat dat kunst-‘onderwijs’ of ‘wegwijs maken’ op het hoogste niveau? Uit het feit dat het de participant de best mogelijke faciliteiten biedt en contacten creëert die van groot belang zijn voor een wezenlijk internationale beroepspraktijk.
Vanuit de VS gezien is het kunstonderwijs in Nederland heel wendbaar, inventief en breed van opzet, al komt de echte reflectie en theoretische onderbouwing pas wat later -en wat mij betreft soms te laat- aan bod.
Het is niet eenvoudig om ‘de beste’ te kiezen binnen zo’n rijk gebied als de post-academiale opleidingen, die bovendien sterke bezuinigingen hebben moeten verwerken. Daarnaast is het idee van een prijs altijd een specifiek concept, waar je vaak appels met peren moet vergelijken, Gezien van een afstand had men misschien kunnen kijken naar het tweede fase-kunstonderwijs als geheel, waarin de Rijksakademie, de Ateliers, de Jan van Eyck en vele andere sterk van elkaar verschillende maar actieve en succesvolle instellingen samen een heel krachtig veld bieden waar de zich ontwikkelende kunstenaar zich in alle vrijheid kan ontplooien.

Maar het idee van de AICA was dat een jury een primus inter pares zou aanwijzen, en zo wordt een oorkonde -niet een prijs- vandaag uitgereikt aan een instituut dat excelleert (ik citeer) “in de combinatie van professionaliteit op intellectueel en vaktechnisch gebied, de actuele stellingname, en de mix van deelnemers die de Rijksakademie tot een onderscheidend topinstituut hebben gemaakt en tot een belangrijke speler in de internationale kunstwereld.”

Dat de Rijkakademie als een primus inter pares verschijnt, komt mijns inziens door de vroegtijdig gestarte opzet ‘in den brede’: hoe zij geografisch gespreid opereert, en daardoor een grote diversiteit laat zien.
Bovendien zijn het bijzonder getalenteerde kunstenaars, ook vele uit het buitenland die er al jaar en dag gedurende wisselende perioden les gaven en geven.
Mijn voormalig collega uit New York, Dennis Adams, gaf er elf jaar lang les. Hij beschrijft de selectie als zeer rigoureus en het onderwijs als “the very best of the best”. Toch vond hij het ook een klooster-, een ‘monastery quality’ hebben. Ik denk dan: komt dat wellicht omdat men behalve tijdens de open dagen weinig naar buiten treedt? Zou een publicatie, of een blog op de website die perceptie van isolement mogelijk doorbreken?
Maar een huidige deelnemer uit Engeland, Alex Farrar, echo-t dat idee van klooster “I also enjoy the feeling of the cloister behind the iron gate, where play, with all the false starts, dead ends and accidents are allowed to happen, without the pressure of meeting demands/budgets/expectations that professional life usually infers”.

Ik wil mij aan het einde van deze laudatio niet als een kritikaster ontpoppen: ik vraag u daarentegen om een geweldig applaus voor het jarenlange succes van dit prachtige instituut: Leve de Rijksakademie!!

………………………………………………………………………………………………………………………..

Amsterdam, October 21, 2016

Ladies and gentlemen, dear colleagues,

Visual artist and musician John Cage once said: ‘You can fool the fans but not the players.’

How extraordinary for AICA Nederland not to choose a curator, critic or museum, but a post-graduate institute for visual arts and – besides nominating Witte de With and an activity such as Art Rotterdam – to grant the AICA Award 2016 to the Rijksakademie van Beeldende Kunsten. I hereby congratulate you wholeheartedly.

It’s understandable AICA wanted somebody with a background in contemporary visual arts and art education for this laudation, so I’m honoured to accept the invitation to praise the Rijksakademie. After having led Arts Centre De Appel in Amsterdam for 21 years and being Dean of Cooper Union’s School of Art in New York for 11 years, this gives me the opportunity to say something about the value and place of art education in society, and about the importance of artists who offer other artists guidance. Again I quote Cage on art education: ‘Nothing is a mistake. There is no win and no fail. There is only make.’

By ‘offering guidance’ I mean stimulating artists to become and remain those independent artists/sensors thanks to whom critics, philosophers, thinkers and everybody with an interest in art, receive signals about what is important to art and sometimes also about where the world is headed.

With that, art education is obliged to transform and to constantly review the transmission from the perspective of contemporary developments. Translating to new generations demands commitment to the present. Is there a will to change, or a conscious desire to be rigid and resist external influences? Do people search for an authority outside their own circle? Or does affinity with current developments automatically result in osmosis, an open mind – also towards other institutions they cooperate with -, out of solidarity but also out of conviction?

In his excellent anthology Art School, published by MIT, Steven Henry Madoff claims that the topography of making has been flattened, has become more horizontal in the past 25 years. No one discipline, genre, style or artist dominates, and this has forced art academies to focus even more on what it means to be an artist nowadays and where the profession is situated among other disciplines such as philosophy, research, crafts, technical training and marketing.

He writes:
‘The factory of ideas, objects, practices, and pedagogies that constitute an art school today, as they will tomorrow, seems particularly restless, wanting more porosity, irritated by bureaucratic weight, impatient for new shapes, even for an ephemeral life.’

I would like to add: while art is becoming increasingly more action, activity and research, we should not just focus on materialisation, reification and collectibility, because in the end what matters is what art conveys, and this can just as much be protest, resistance and alternative, presented in forms nobody understands yet, like ‘stealth messages’ to a small group of like-minded people who want to thoroughly question and test everything we regard as art and culture today.

Compared to the position of artists, the role of art critics and curators is a more reflective one. But it is this extensive experience of colleagues what young artists need most. Passing on that experience in a peer-to-peer situation is exactly what they do so well at the Rijksakademie.

The Rijksakademie exposes participants to many external influences and pairs them with foreign artists, critics and curators. More often than not the latter choose to invite them to participate in particular projects, a practice which has turned out to be very fertile considering the vast number of alumni one comes across outside the Netherlands as well.

For curators are close to artists, and since a number of years universities and educational institutions have started to pay more heed to curators. The term ‘Educational Turn in Curating’ has been used to explain why many curators – myself included – started working in the art departments of universities.
In hindsight I believe this happened because the art world became highly focused on the market and seemed to care more about taste than about philosophy, art critique or experience. As a result some universities became a ‘niche’ where a curator could lie low, where commerce does not influence things.

That the latter statement is an illusion I soon found out, particularly in the U.S, where Chairs are sponsored and students have to borrow a lot of money to pay for their education. The educational turn, for that matter, seems to be over already. Why? Was it just a fad?

No, and this is where the collectors come in: they have hired curators, given them jobs (after all many of them have started private museums. (Three cheers for tax deduction and higher social status!). The educational turn in curating moved from academia to being socially acceptable,and, as private collections are a lot less bureaucratic, can respond much quicker and don’t need a myriad of development staff; in the end they are their own sponsors!

It has been an irrefutable fact for centuries that collectors are of great importance for artists. And it’s fantastic to see that a private collection was recently made available to the public at the highest level in the Netherlands as well and that, thanks to the fact that the Dutch government has finally realised how essential financial grants are, the artistic landscape has expanded with more modest collections as well.

The Rijksakademie knows how to engage such actors too; they avidly visit annual open days, and collectors are also represented in both their board of governors and supervisory board. All because they want to be close to where art originates.

But what does art ‘education’ or this ‘mentorship’ consist of at the highest level? Of offering its participants the best possible facilities and creating contacts which are of great importance for a truly international professional practice.
Viewed from the U.S., art education in the Netherlands is very agile, inventive and broad, although proper reflection and theoretical foundation are addressed a little later – and sometimes too late, as far as I’m concerned.
It’s not easy to choose ‘the best’ from such a broad spectrum of post-graduate institutes, which have all had to cope with severe cutbacks.
Apart from that, the idea of a prize is quite specific, where you often have to compare apples and oranges. Seen from a distance AICA Nederland could have considered post-graduate education as a whole, where the Rijksakademie, the Ateliers, the Jan van Eyck and many other active and successful institutes, no matter how different from each other, jointly offer a powerful basis where developing artists are given the freedom to develop.

However, AICA Nederland wanted a jury to select a primus inter pares, a first among equals, and therefore the award – not a prize – is given to an institute which excels, and I quote, ‘in combining intellectual and technical professionalism, their modern views and the mix of participants which have made the Rijksakademie an outstanding institute and an important player in the international art world.’

The reason the Rijksakademie is first among its equals can be attributed, in my opinion, to the fact that already early on it has chosen to operate on a wide geographical scale by which it has shown a broad diversity.
Moreover, the Faculty at Rijksacademie are very talented artists, many from abroad, who work and have worked there on and off for years. My former colleague from New York, Dennis Adams, taught at the Rijksakademie for eleven years.
He describes its selection process as very rigorous and its teaching as ‘the very best of the best’. Still, he also found the Rijksakademie had a monastery quality. Is this perhaps caused by the fact that it doesn’t venture into the outside world all that often, apart from during the “open days”?
One current participant from the UK, Alex Farrar, echoes this idea of a monastery: `I also enjoy the feeling of the cloister behind the iron gate, where play, with all the false starts, dead ends and accidents is allowed to happen, without the pressure of meeting the demands/budgets/expectations that professional life usually infers.’

Ladies and gentlemen, at the end of this laudatory speech I want to ask for a big round of applause for the long-standing success of this beautiful institute. Long live the Rijksakademie!